Blijf op de hoogte!

Vaknieuws

 

 

 Pensioenpanning 2018

 

 

SZW pensioenplanning 2019

 

Onderwerp

wanneer

1

Uitkomsten overleg pensioenfondsen en toezichthouders haalbaarheidstoets, reële dekkingsgraad en beleidsdekkingsgraad

Q1 2019

2

Evaluatie Wet aanpak schijnconstructies

Q2 2019

3

Eerste rapportage over vrouwen en 40-minners in pensioenfondsbesturen

 Q2 2019

4

Wijziging PW en WVPS n.a.v. evaluatie wet verevening pensioenen bij scheiding

Q2 2019

5

Voortgangsbrief zzp-maatregelen

Q2 2019

6

Evaluatie wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd

Q3 2019

7

Evaluatie Wet verbeterde premieregeling

Q3 2019

8

Uitkomsten evaluatie wet pensioencommunicatie

Q3 2019

9

Wetgeving zzp-maatregelen

Q3 2019

10

Verzamelwet pensioenen

Q3 2019

11

Evaluatie APF

Q4 2019

12

Reactie kabinet op advies van de STAR in het kader van nabestaandenpensioen

Q4 2019

13

Kamerbrief over AOW-leeftijd 2025

Q4 2019

SZW cijfers 2019

Het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid publiceerde onder meer de AOW-bedragen en het minimumloon voor 2019. Bijna gelijktijdig maakte het ministerie van Financiën de AOW-franchises 2019 en de aftoppingsgrens van het pensioengevend salaris bekend.

AOW 2019

1 januari 2019

AOW-50% (*)

AOW 70% (*)

Bruto per maand

809,81

1.190,58

Premie ZVW

46,16

67,86

Loonheffing

0,00

0,00

Netto per maand (a)

763,65

1.122,72

Vakantie uitkering

51,75

72,44

Premie ZVW

2,95

4,13

Loonheffing

0,00

0,00

Netto per maand (b)

48,80

68,319

Totaal netto per maand (a+b)

812,45

1.191,03

(*) 50% voor een gehuwde of samenwonende en 70% voor een alleenstaande. Deze bedragen zijn exclusief de tegemoetkoming aan AOW-gerechtigden en exclusief de nominale zorgpremie en zorgtoeslag.

Minimumloon

Het minimumloon vanaf 22 jaar is in 2019 € 1.615,80 bruto per maand. Dit bedrag is exclusief vakantietoeslag.

AOW-franchises 2019

Vanaf 1 januari 2015 is de franchisefactor voor een middelloon- en een beschikbare premieregeling 100/75 van de AOW-uitkering plus vakantie-uitkering die geldt voor gehuwden met een partner ouder dan de AOW-leeftijd (in de tabel: AOW 50%). Voor een eindloonregeling is dit 100/66,28. Het bedrag moet naar boven worden afgerond op hele euro’s. Anders is er geen sprake van “ten minste”. De minimale fiscale franchise voor 2019 is voor respectievelijk een eind- en middelloonregeling dus € 15.599 en € 13.785.

Voor pensioenregelingen van directeuren grootaandeelhouder die geheel of gedeeltelijk in eigenbeheer worden uitgevoerd moet uitgegaan worden van de AOW-uitkering plus vakantietoeslag van een alleenstaande (in de tabel: AOW 70%). De minimale fiscale AOW-franchise 2019 voor pensioen in eigen beheer is € 22.867 bij een eindloonregeling en € 20.209 bij een middelloonregeling.

AOW-franchise 2019 bij verlaagde opbouw

Bij een regeling met lagere opbouwpercentages dan fiscaal maximaal gelden lagere minimale AOW-franchises. De bedragen van de minimale franchises en de maximale opbouwpercentages voor 2018: 

Middelloon

Eindloon

meer dan

maar niet meer dan

franchise

meer dan

maar niet meer dan

Franchise

-

1,701%

11.008

-

1,483%

12.456

1,701%

1,788%

12.426

1,483%

1,570%

14.060

 

Aftoppingsgrens pensioengevend loon 2019

Het maximum pensioengevend loon per 1 januari 2019 is voorlopig vastgesteld op € 107.593. 

Onze opmerking

Voor pensioenregelingen waarin het ouderdomspensioen is gebaseerd op een middelloonregeling of een beschikbare premieregeling en het partnerpensioen op een eindloonregeling (de zogenoemde combiregeling) keurt de staatssecretaris goed dat daarvoor één franchise - de middelloonfranchise - gehanteerd mag worden. Dit mag niet in combinatie met de partnerpensioenknip. Deze goedkeuring staat in het besluit van 24 november 2017. Eind van dit jaar volgt een hernieuwd besluit.

De Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen maakt het mogelijk dat een pensioen in eigen beheer fiscaal gefaciliteerd wordt beëindigd. Voor deze fiscaal gefaciliteerde beëindiging is onder meer vereist dat tijdig een juist en volledig ingevuld informatieformulier naar de Belastingdienst wordt gestuurd.

In de praktijk is gebleken dat hieraan in een aantal gevallen niet is voldaan. Het besluit van 18 oktober 2018, nr. 2018-23862 voorziet, met terugwerkende kracht tot en met 1 april 2017, in een algemene verlenging van de termijn voor het aanleveren van het juist en volledig ingevulde informatieformulier bij het afkopen van een pensioen in eigen beheer of het omzetten hiervan in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting.

Ook bevat dit besluit een herstelmogelijkheid voor als de (gewezen) partner het informatieformulier niet heeft medeondertekend.

 

Goedkeuring

Onder twee voorwaarden is goedgekeurd dat een informatieformulier, binnen een jaar na de afkoop of de omzetting van het PEB bij de Belastingdienst kan worden aangeleverd, in afwijking in zoverre van artikel 12c, tweede lid, UBLB, en toch als tijdig wordt aangemerkt.

Heeft de afkoop of omzetting van het PEB meer dan 46 weken voorafgaand aan de publicatiedatum van het besluit plaatsgevonden dan wordt het informatieformulier eveneens als tijdig aangemerkt als dit uiterlijk zes weken na deze publicatiedatum is aangeleverd.

Deze goedkeuring betekent dat als het informatieformulier – juist en volledig ingevuld – binnen de verlengde termijn is aangeleverd, de afkoop of omzetting van het PEB (toch) in aanmerking komt voor de fiscale faciliteiten van de artikelen 38n tot en met 38q Wet LB, mits ook overigens reeds aan de voorwaarden van deze artikelen is voldaan.

Als het informatieformulier wordt aangeleverd buiten de verlengde termijn, dan is de fiscaal gefaciliteerde afkoop of omzetting van het PEB niet mogelijk.

Voorwaarden

Het gaat hierbij om een eenmalige verlenging van de termijn; deze zal in de toekomst niet verder worden verlengd.

  1. Aan de overige voorwaarden van de artikelen 38n tot en met 38q Wet LB is volledig voldaan (dus alleen uitgezonderd de termijn voor het aanleveren van het informatieformulier).
  2. Bij afkoop van het PEB is tijdig en volledig voldaan aan de wettelijke verplichting tot het indienen van de aangifte loonheffingen en het afdragen van de ter zake van de afkoop verschuldigde loonheffingen.

Ontbreken medeondertekening (gewezen) partner

Indien de inspecteur constateert dat op een aangeleverd informatieformulier de vereiste medeondertekening door een (gewezen) partner ontbreekt, stelt hij de dga in de gelegenheid dit te herstellen. De inspecteur geeft hierbij een termijn van ten minste zes weken om de ontbrekende medeondertekening alsnog op te nemen en het formulier, voor zover nodig, aan te vullen met de gegevens van de (gewezen) partner. Deze herstelmogelijkheid geldt ook voor informatieformulieren die binnen de in onderdeel 3.1 beschreven verlengde termijn zijn of worden aangeleverd. Het aangevulde en medeondertekende formulier treedt met terugwerkende kracht in de plaats van het eerder aangeleverde informatieformulier. Net als bij de hiervoor genoemde verlenging van de aanlevertermijn, is uiteraard vereist dat aan de overige voorwaarden van de artikelen 38n tot en met 38q Wet LB volledig is voldaan.

Tevens is, bij afkoop van het PEB, vereist dat tijdig en volledig is voldaan aan de wettelijke verplichting tot het indienen van de  aangifte loonheffingen en het afdragen van de ter zake van de afkoop verschuldigde loonheffingen.

 

AFM Onderzoek keuzevrijheid pensioen

 

Pensioendeelnemers met keuzevrijheid over hun premie-inleg nemen niet altijd financieel verstandige beslissingen. Zorgvuldige keuzebegeleiding en doelgroepbepaling zijn daarom belangrijk bij het aanbieden van keuzevrijheid. Dat constateert de Autoriteit Financiële Markten (AFM) op basis van nieuw onderzoek. Met het onderzoek wil de AFM een objectieve bijdrage leveren aan de discussie over een nieuw pensioenstelsel.

 

Keuzevrijheid

Bij de discussie over een nieuw pensioenstelsel is keuzevrijheid een belangrijk thema. De AFM deed onderzoek onder 3.150 pensioendeelnemers over differentiatie in premie-inleg om inzichten te vergaren over de behoeftes van deelnemers en de mogelijke gevolgen van keuzevrijheid in de praktijk.

In het onderzoek kiest 40% van de respondenten voor een tijdelijke premiestop van één tot vijf jaar. Zij kiezen voor een hoger besteedbaar inkomen nu, ten koste van inkomen na pensionering. Daar zitten ook mensen bij voor wie dat onverstandig lijkt, omdat zij nu al een ontoereikend pensioen hebben. In dit onderzoek lijkt bij keuzevrijheid geen verband tussen wat financieel verstandiger zou zijn en de keuze die mensen maken.

 

Differentiatie door keuzevrijheid, maatwerk of combinatie

Differentiatie in premie-inleg kan door keuzevrijheid door de individuele pensioendeelnemer, maatwerk door de pensioenuitvoerder of een combinatie van die twee. Zo zou er tijdelijk meer of minder premie ingelegd kunnen worden tijdens de opbouwfase. Uit economische modellen blijkt dat zulke differentiatie welvaartswinst kan opleveren; voor pensioendeelnemers met een pensioenoverschot én voor deelnemers met een pensioengat. Zowel keuzevrijheid als maatwerk kunnen een betere spreiding van inkomen over de levenscyclus opleveren.

 

Nadelige keuzes

Bij keuzevrijheid neemt het risico op individuele fouten echter ook toe. Zo kunnen deelnemers een pensioengat groter maken als zij voor een tijdelijke premiestop kunnen kiezen. Er zijn ook deelnemers die nu afstevenen op een hoger pensioeninkomen dan hun huidige inkomen.

 

Een tijdelijke premiestop zou voor deze deelnemers economisch voordelig kunnen zijn. Toch kiest deze groep niet altijd voor een tijdelijke stop.

 

Risico’s en uitvoeringskosten

De AFM keek ook met een literatuurstudie naar de risico’s die volgen uit differentiatie in premie-inleg en hoe deze beperkt kunnen worden. Die inventarisatie wijst uit dat voor bepaalde doelgroepen keuzebegeleiding met een vorm van (bindend) maatwerk de enige werkende optie is die het risico op individuele fouten in sterke mate kan verkleinen. Daarbij tekent de AFM wel aan dat het aanbieden van keuzemogelijkheden en maatwerk kostbaarder is dan gestandaardiseerde oplossingen. Uitvoeringskosten zijn dan ook een belangrijk aspect om mee te nemen in de discussie over keuzevrijheid.

 

Inzichten voor discussie

Differentiatiemogelijkheden hebben invloed op de balans tussen deelnemersbescherming en de verantwoordelijkheid die deelnemers zelf dragen voor hun pensioeninkomen. Met haar onderzoeksresultaten maakt de AFM inzichtelijk wat de introductie van keuzevrijheid in premie-inleg betekent voor pensioendeelnemers.  Dit is vergelijkbaar met wat Netspar en het Centraal Planbureau vorige week deden met hun onderzoek naar de macro-economische doelmatigheid van keuzevrijheid in de uitkeringsfase. Beide onderzoeken vullen elkaar aan en beleidsmakers kunnen de inzichten gebruiken als onderbouwing bij de discussie over een nieuw pensioenstelsel. De AFM neemt met dit onderzoek geen standpunt in.

Onze opmerkingen

Wij zien een aantal belangrijke stellingen en opmerkingen uit het AFM-onderzoek:

  • Er lijkt geen verband tussen wat financieel verstandiger zou zijn en de keuze die mensen maken
  • Substantiële groep heeft behoefte aan premiestop
  • Zowel keuzevrijheid als maatwerk kunnen een betere spreiding van inkomen over de levenscyclus opleveren

 

(Bron: AFM)

 Bovenmatig pensioen naar werknemer?

 

 

Door de aanhoudend lage marktrente mag tegenwoordig meer premie worden gespaard in beschikbare premieregelingen dan enkele jaren geleden. De hogere premie-inleg vergroot het risico op een pensioen dat hoger is dan fiscaal toegestaan. Het fiscaal bovenmatige deel van het pensioenkapitaal (“surplus”) wordt afgeroomd en kan, naar gelang de gemaakte afspraken, ten gunste komen van de pensioenuitvoerder of de (ex-)werkgever.

 

Doorstorten naar individuele werknemer

Tijdens pensioenoverleg tussen werkgever en werknemers kan zijn afgesproken dat een aan de werkgever uitgekeerd surplus ten goede komt aan de desbetreffende deelnemer, bijvoorbeeld door uitbetaling onder inhouding van loonbelasting.

In Vraag en Antwoord 18-005 d.d. 24 mei 2108 heeft de Belastingdienst echter expliciet aangegeven dat dit niet is toegestaan. Het fiscaal bovenmatig pensioenkapitaal mag namelijk volgens haar niet op enigerlei wijze ten goede komen aan de (nabestaanden van de) werknemer. Zodra dit wel gebeurt, heeft de werkgever een fiscaal bovenmatig pensioen toegezegd of is sprake van fiscaal niet toelaatbare restbegunstiging. Gevolg kan zijn dat de pensioenregeling direct volledig in de belastingheffing wordt betrokken en er revisierente in rekening kan worden gebracht.

 

Theoretische discussie?

Het is dus niet toegestaan om een fiscaal bovenmatig deel pensioenkapitaal vanuit een DC-regeling vanuit de werkgever terug te geven aan de werknemer. In de praktijk is het afromen van een ‘bovenmatig deel pensioen’ nog nooit voorgekomen

Volgens de belastingdienst is er geen sprake meer van pensioen als het surplus aan de werkgever wordt overgemaakt. De pensioenbestemming is niet meer van toepassing, in feite ziet men dit als een soort premierestitutie.

 

Onze opmerking

Wij zijn het niet eens met het besluit van de belastingdienst. Bij beschikbare premieregelingen ligt het pensioenrisico, beleggingsrisico, langlevenrisico en marktrenterisico volledig bij de deelnemer.

De ingelegde premies, veelal deels betaald door deelnemers, worden vooraf bij de inleg al fiscaal getoetst. Ook de nieuwe Wet Verbeterde premieregeling (doorbeleggen na pensioendatum) maakt dit fiscale besluit onbegrijpbaar

 Bovenmatig pensioen naar werknemer?

 

 

 

 

Keuzevrijheid in de uitkeringsfase: internationale ervaringen

 

Meer keuzevrijheid in de uitkeringsfase is onderdeel van het maatschappelijke debat over mogelijke aanpassingen van het Nederlandse pensioenstelsel, aldus de Perspectiefnota van SZW (2016). Nederland is een van de weinige landen waarin deelnemers aan de tweede pijler hun pensioen volledig uitgekeerd krijgen in de vorm van een levenslange annuïteit. Wel bestaan er enkele keuzemogelijkheden, onder meer wat betreft de aanvangsleeftijd en het uitkeringsprofiel.

Deelnemers aan kapitaalgedekte pensioenregelingen in andere landen hebben veelal meer mogelijkheden om (een deel van) het opgebouwde pensioenvermogen in één keer op te nemen. Nederland kan bij de aanpassing van het pensioenstelsel wellicht lessen trekken uit de ervaringen met keuzevrijheid in de uitkeringsfase van kapitaalgedekte pensioenen in andere landen.

 

Internationaal overzicht

In Australië, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland kunnen deelnemers aan DC-regelingen kiezen tussen een levenslange uitkering, geleidelijke opname of opname ineens van het opgebouwde pensioenvermogen. In Denemarken is er keuze tussen een levenslange uitkering en een uitkering ineens of van beperkte duur, maar de keuze voor een uitkering ineens of van beperkte duur is begrensd. In Zweden kunnen deelnemers kiezen tussen een tijdelijke of een levenslange uitkering; een uitkering ineens is alleen mogelijk bij heel kleine pensioenen. In Nederland zijn uitkeringen in beginsel levenslang. De uitkering mag wel eerder of later ingaan en variëren in de tijd (hoog-laag). Nederlandse deelnemers geven in onderzoeken aan dat zij belangstelling hebben voor een beperkte opname ineens bij pensionering.

De internationale ervaringen leren dat deelnemers met geringe pensioenopbouw dikwijls kiezen voor opname ineens als dit is toegestaan. Deelnemers met veel pensioenopbouw kiezen vaak voor geleidelijke opname van hun vermogen, uitkeringen van tijdelijke duur of levenslange uitkeringen. In landen met volledige keuzevrijheid is de vraag naar en/of het aanbod van levenslange uitkeringen dikwijls beperkt. Inkomensafhankelijke regelingen voor lage inkomens stimuleren opname ineens, sterk progressieve belastingtarieven stimuleren geleidelijke of levenslange uitkeringen. Veel deelnemers laten zich leiden door de standaardoptie voor de wijze van uitkeren. Veel genoemde doelen voor besteding van een uitkering ineens zijn: aflossing van schulden (waaronder hypotheek), aankoop of verbetering van de eigen woning, auto, reizen, spaargeld of belegging en ondersteuning van familie. 

 

In navolging van andere landen zou Nederland de keuzevrijheid in de uitkeringsfase van de tweede pijler kunnen verruimen. Een levenslange uitkering als standaardoptie beperkt de kans dat het inkomen van deelnemers met midden of hoge lonen na pensionering sterk terugvalt. Door de vrijheid te begrenzen, behouden deelnemers die hiervan gebruikmaken wel een levenslange uitkering uit de tweede pijler. Een levenslange uitkering voorkomt zowel dat deelnemers heel weinig uitgeven uit angst dat het vermogen voortijdig opraakt als dat deelnemers op latere leeftijd sterk in inkomen terugvallen, omdat het pensioenvermogen op is en/of de uitkering van beperkte duur afloopt. 

De keuze van de ene deelnemer heeft geen gevolgen voor de pensioenvooruitzichten van andere deelnemers als de uitruil tussen levenslange uitkering en uitkering ineens actuarieel neutraal wordt vormgegeven. In de praktijk zal dit niet exact het geval zijn, doordat in de uitruil geen rekening wordt gehouden met verschillen in levensverwachting, bijvoorbeeld tussen mannen en vrouwen en tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden.

 (Bron: Cpb)

 

Rendementen beschikbare premieregelingen

 

Het rendement dat pensioendeelnemers maken met hun beschikbare premieregeling varieert sterk. Dat concludeert actuarieel adviesbureau LCP uit een onderzoek naar producten met een neutrale beleggingslifecycle. De rendementen lopen uiteen van 4% tot 14%, met name bij deelnemers onder de 50.

 

Lifecycle Pensioenen 2018

Er zijn zo’n 1,3 miljoen werknemers met een beschikbare premieregeling. LCP nam het product onder de loep in het rapport ‘Lifecycle Pensioen 2018’ en focuste op de standaard neutrale lifecyle-producten. “Verreweg de meeste deelnemers maken daar gebruik van.”
Pensioendeelnemers jonger dan 50 hebben vorig jaar afhankelijk van de pensioenuitvoerder 4% tot ruim 14% rendement gemaakt. Bij oudere deelnemers lopen de rendementen minder uiteen. Bij de groep die vlak voor de pensioendatum zit, varieerden de rendementen in 2017 van -1% tot +4%. “Elk procent rendementverschil gedurende 40 jaar geeft circa 17% verschil in pensioenresultaat.”

 

Verder kijken dan kosten

Over de periode 2014-2017 constateert LCP een rendementsverschil van ongeveer 4% per jaar (van 6,5% tot 10%). Dat heeft vooral te maken met de beleggingsrisico’s die de diverse lifecycles nemen. “Ons onderzoek toont aan dat de beschikbare DC‑producten zeer verschillend zijn. Werkgevers en werknemers moeten bij de selectie van een pensioenuitvoerder verder kijken dan de laagste kosten of de hoogste verwachte pensioenen”, zegt senior actuaris Johan van Soest van LCP. De vermogensbeheerkosten bedroegen vorig jaar 0,2% tot 0,6% van het beleggingskapitaal. “Deze kosten zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren.”

 

Grote verschillen in risico en renteafdekking

De variatie in lifecycleproducten en risicoprofielen wordt steeds groter, aldus LCP. “Sommige uitvoerders bieden tientallen profielen.” Er zijn grote verschillen in beleggingsmix en de mate van afbouw van het renterisico. “Bij de keuze voor een pensioenuitvoerder dienen werkgever en OR zich hiervan bewust te zijn.” Tussen default lifecycles zijn er behoorlijke verschillen in beleggingsrisico te zien. “De start van de afbouw van zakelijke waarden vertoont grote spreiding, evenals de eindpositie.

 

De meest offensieve en defensieve risicoprofielen bevatten gemiddeld circa 10% meer en minder zakelijke waarden.” Daarnaast zijn er grote verschillen in het moment waarop de afdekking van het renterisico wordt opgebouwd. Bovendien is de afbouw zelf niet altijd even drastisch: “Rond 10 jaar vóór de pensioendatum ligt de renteafdekking tussen circa 5% en 70%; op de pensioendatum varieert het renterisico van 0% tot circa 30%.”

 

Kosten gehalveerd

De gemiddelde kosten van het vermogensbeheer binnen beleggingsfondsen (inclusief eventuele extra kosten of kortingen bij de pensioenuitvoerder) zijn de laatste tien jaar gehalveerd van 0,8% naar 0,4% van het belegde kapitaal per jaar. “Een kostenverschil van 0,4% per jaar gedurende 40 jaar geeft circa 7% verschil in pensioenresultaat.” Er is weinig verschil tussen de kosten bij de meest offensieve en de meest defensieve risicoprofielen.

 

Doorbeleggen

Wie na de pensioendatum wil doorbeleggen met het opgebouwde kapitaal, of daarop al eerder wil voorsorteren, heeft een lastige klus. Ook daarin zijn er grote verschillen in beleggingsrisico tussen de aanbieders. Bovendien is er onvoldoende inzicht in de jaarlijkse schommelingen in de hoogte van de uitkering, constateert LCP. En het bredere plaatje ontbreekt: “De relatie met het overige pensioeninkomen, vermogen en vaste lasten ontbreekt.”

Voor het rapport is onderzoek gedaan bij vijf pensioenverzekeraars (Allianz, ASR, Centraal Beheer, Delta Lloyd en Zwitserleven) en zeven PPI’s (ABN Amro, Aegon, BeFrank, Brand New Day, Cappital, LifeSight en NN.

 

(Bron: amweb)

Bijna 50% van de DGA’s hebben pensioen in eigen beheer afgestempeld

 

De Belastingdienst heeft vorig jaar €3,3 mrd geïncasseerd uit de afrekening van pensioenen in eigen beheer van ondernemers. Dat is aanzienlijk meer dan de €2,1 mrd die was geraamd, schrijft staatssecretaris Menno Snel van Financiën donderdag aan de Tweede Kamer. Dat schrijft het FD.

 

Grotere belangstelling

Vorig jaar maakten 70.289 directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) gebruik van de mogelijkheid om het fiscaal gefaciliteerde pensioen in eigen beheer binnen hun bv te beëindigen. Daarbij konden ze kiezen tussen omzetting naar een oudedagsverplichting of met korting afrekenen met de fiscus.

Het merendeel (42.792) van de dga’s koos voor afkoop. Deze ‘ontklemming’ van het pensioenvermogen werd niet tegen de gebruikelijke 52% belast, maar tegen 34%. De schatkist incasseert dus per saldo minder uitgestelde belasting maar krijgt het wel eerder overgeschreven. Volgens de oorspronkelijke raming zou de schatkist er structureel €200 mln op moeten toeleggen.

Boekhoudkundig tellen de inkomsten nog niet als een meevaller, omdat de regeling dit jaar en volgend jaar nog doorloopt, tegen een lagere korting. Snel kan nu nog niet zeggen of de hogere opbrengst het gevolg is van grotere belangstelling of dat de dga’s alleen in 2017 van de afkoopregeling gebruik maken. Dat laatste zou kunnen betekenen dat de geraamde opbrengsten voor dit en volgend jaar (bij elkaar nog bijna €1,9 mrd) niet optreden, of veel lager uitvallen.

 

Complexiteit

Het pensioen in eigen beheer werd door Snels voorganger Eric Wiebes afgeschaft vanwege de complexiteit voor zowel de dga als de Belastingdienst. De faciliteit bracht veel dga’s in problemen. De commerciële waarde van de pensioenverplichting was vaak zo hoog, dat de bv een negatief eigen vermogen had en bijvoorbeeld geen dividend kon uitkeren.

Door de uitfasering van de regeling mogen dga’s hun pensioenverplichting terugbrengen tot de fiscale waarde (de opgetelde inleg) en daarna omzetten in de oudedagsverplichting of meteen uitkeren en afrekenen met de Belastingdienst.

(Bron: Financieel Dagblad)

 

 

 

 

 

Wet Waardeoverdracht klein pensioen deels in werking

 

De Wet waardeoverdracht klein pensioen is deels in werking getreden per 1 maart 2018 en zal voor het overige per 1 januari 2019 in werking treden.

 

Automatisch waardeoverdracht

De kern van de wet gaat over automatische waardeoverdracht van kleine pensioenaanspraken. Dit onderdeel treedt per 1 januari 2019 in werking. Een pensioenuitvoerder heeft nu nog het recht om een kleine pensioenaanspraak (ouderdomspensioen tot  € 474,11 p.j.) twee jaar na beëindiging van de deelname af te kopen. De wetgever wil dat kleine pensioenen zo veel mogelijk hun pensioenbestemming behouden. Daarom mogen pensioenuitvoerders vanaf 2019 kleine pensioenen niet meer afkopen. Hiervoor in de plaats kan de pensioenuitvoerder kiezen voor waardeoverdracht. De waarde van het kleine pensioen wordt overgedragen aan de pensioenuitvoerder bij wie de werknemer op dat moment pensioen opbouwt. De overdragende pensioenuitvoerder heeft hierbij de instemming van de gewezen deelnemer niet nodig.

Hele kleine pensioenen

Per 1 januari 2019 treedt ook  de mogelijkheid om aanspraken van minder dan € 2 pensioen per jaar te laten vervallen. Dat mag zonder meer voor nieuwe aanspraken. Voor bestaande aanspraken geldt dat deze aanspraken alleen mogen vervallen na een evenwichtige belangenafweging.

 

Bezwaarrecht fiscale pensioenrichtleeftijd

Per 1 maart 2018 is het bezwaarrecht bij aanpassing aan de fiscale pensioenrichtleeftijd vervallen. Wettelijk mag een collectieve omzetting van opgebouwde aanspraken alleen plaatsvinden als de betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de pensioengerechtigden daartegen geen bezwaar hebben kenbaar gemaakt nadat zij hierover schriftelijk zijn geïnformeerd. Dit individuele bezwaarrecht is per 1 maart 2018 vervallen voor zover de collectieve wijziging inhoudt dat de pensioenaanspraken worden omgezet in pensioenaanspraken die zijn berekend op basis van een fiscale pensioenrichtleeftijd.

 

 

Internationale waardeoverdracht

Per 1 maart 2018 is een internationale waardeoverdracht alleen mogelijk als de tot verevening gerechtigde echtgenoot met de waardeoverdracht instemt. Niet alle buitenlandse pensioenuitvoerders zijn gebonden aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Bij waardeoverdracht naar het buitenland kan de vereveningsgerechtigde daardoor de rechtstreekse vordering op de pensioenuitvoerder verliezen. Met dit instemmingsrecht kan worden voorkomen dat het vereveningsrecht niet geëffectueerd zou kunnen worden.

 

Rol pensioenregister

Voor nieuwe kleine aanspraken, ontstaan met ingang van 2018, moet de pensioenuitvoerder binnen een jaar bij het pensioenregister nagaan of de gewezen deelnemer bij een andere pensioenuitvoerder pensioen opbouwt om van de mogelijkheid van waardeoverdracht gebruik te kunnen maken. Als daar sprake van is, kan de pensioenuitvoerder overgaan tot waardeoverdracht van het kleine pensioen.

Als de werknemer nog niet bij een andere pensioenuitvoerder pensioen opbouwt, moet de pensioenuitvoerder deze toets minimaal één keer per jaar herhalen. De pensioenuitvoerder mag na minimaal vijf pogingen tot waardeoverdracht en na het verstrijken van ten minste vijf jaar, het kleine pensioen alsnog afkopen.

 

Bestaande pensioenaanspraken

Bestaande aanspraken, opgebouwd voor 1 maart 2018 hebben ook een mogelijkheid tot waardeoverdracht. Deze waardeoverdrachten kunnen geleidelijk plaatsvinden. Daarmee wil de wetgever voorkomen het grote aantal bestaande kleine pensioenen de overdracht van nieuwe aanspraken belemmert.

 

Verhoging pensioenleeftijd

Als een werkgever de pensioenleeftijd verhoogt naar 68 jaar dan is dit vanaf 1 maart 2018 mogelijk zonder dat de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de pensioengerechtigden hiertegen bezwaar kunnen maken. Aan het niet gelden van het individuele bezwaarrecht zijn voorwaarden verbonden. Zo moet de deelnemer ervoor kunnen kiezen de ingangsdatum van het pensioen te vervroegen naar de ingangsdatum vóór de wijziging.



Onze pensioen kennissessie, waarbij de laatste pensioenactualiteiten en actuele fiscaliteiten  aan de orde komen, specifiek gericht op werkgevers en Directeuren Groot Aandeelhouders, georganiseerd voor accountantsrelaties van Finact Software, DGA Software (www.dgasoftware.nl) , PPN en Pensioendesk Nederland.

Wederom uiterst actueel en helemaal toegespitst op uw adviespraktijk!

Per 1 juli 2017 is het niet langer toegestaan om pensioen in eigen beheer actief uit te voeren. De afgelopen maanden heeft de belastingdienst handreikingen en vraag- en antwoordbesluiten gepubliceerd. Heeft dit invloed om de keuzemogelijkheden? Reden om versneld om te zetten of af te kopen? En wat te doen met de DGA-pensioenpolissen? Wij gaan dit uitgebreid met u bespreken.

De ODV-wetgeving is verre van compleet. Verschillende praktijkvragen en toepassingen komen tijdens deze sessie aan bod.

Verder wordt vanaf 1 januari 2018 de pensioenrichtleeftijd 68. Wij vertellen u alle ‘ins and outs’ en laten zien wat de kansen en dilemma’s zijn voor werkgevers, OR en werknemers.

Over deze vraagstukken én andere ontwikkelingen op het gebied van eenzijdig wijzigen en wordt u volledig bijgepraat en krijgt u van ons praktische handvatten aangereikt waarmee u in staat wordt gesteld uw relaties perfect te informeren en te adviseren.

Uw inleider(s)

De cursus wordt op 5 locaties verzorgd door o.a. Mevr. Drs. Rosemarie van der Velden MPLA (DGA specialist Jansen en Partners) en Dhr. David Harpe BPLA (pensioenspecialist Finact Software).

Programma

  • Het grote pensioenbesluit (8 december 2017)
  • Vraag en antwoordbesluiten in de praktijk
  • ODV-overeenkomsten
  • Van PEB naar ODV; hoe nu verder?
  • Overige pensioenactualiteiten

 

Investering

Voor slechts € 129,- excl. BTW bieden wij u een interactieve, praktijkgerichte middagsessie inclusief 3 PE-punten.

(De najaarsbijeenkomsten zijn gemiddeld gewaardeerd op een 8,3!)

 

 

Grotere rol OR bij beloningen

 

In elk bedrijf met ten minste honderd werknemers moeten OR en bestuurder voortaan jaarlijks de hoogte van beloningen en de ontwikkeling van beloningsverhoudingen in de onderneming bespreken. Dat bepaalde de Tweede Kamer op dinsdag 23 januari 2018.

Het voorstel voor deze aanscherping van de WOR is nog ingediend door de vorige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Lodewijk Asscher (PvdA). Het is overgenomen en verdedigd door diens opvolger Wouter Koolmees (D66). Mede dankzij hem stemde de aarzelende D66-fractie voor.

 CDA en VVD stemden tegen. Reden daarvoor is dat ondernemingsraden nu ook al de wettelijke mogelijkheid hebben om beloningsverschillen op de agenda te zetten. Artikel 31d WOR verplicht bestuurders al tot het verstrekken van schriftelijke informatie over beloningsverhoudingen en stijgingspercentages, maar er zijn weinig ondernemingsraden die er in de overlegvergadering een discussie over aangaan. Koolmees bracht daar tegenin dat ondernemingsraden die ertegen opzien om die informatie op de agenda te zetten, dat niet meer zelf hoeven te doen. De wet schrijft zo’n overleg nu immers elk jaar voor.

Bij de voorstanders in het debat speelde ergernis mee over recente berichten over de groeiende inkomenskloof tussen gewone werknemers en topverdieners. SP, PvdA en GroenLinks hadden de OR het liefst instemmingsrecht gegeven, maar vonden daarvoor geen meerderheid. Koolmees vond het onverstandig, omdat het uiteindelijk aan de aandeelhouders is om wel of niet akkoord te gaan met de beloningspakketten van ondernemingsbestuurders. Kamerleden als Van Weyenberg (D66) en Özdil (GroenLinks) vonden het daarom een goed idee als RvC- of RvT-leden aanwezig zouden zijn bij het verplichte gesprek hierover tussen bestuurder en OR, maar dienden daarover geen motie in.

 De nieuwe tekst wordt opgenomen in artikel 23 lid 2 WOR en luidt: In ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn, worden ten minste eenmaal per jaar in de overlegvergadering in ieder geval besproken de hoogte en de inhoud van de in artikel 31d, eerste en tweede lid, bedoelde arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken, en de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen ten opzichte van het voorgaande jaar per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen. In artikel 31e wordt hiernaar voortaan verwezen.

De wetswijziging geeft de OR geen nieuwe bevoegdheden die ze kunnen gebruiken wanneer de gegeven informatie ze niet bevalt.

(bron: SDU)

 

AFM wijzigt regelgeving gedragstoezicht

 

In de zomer van 2017 heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) de aanpassing van de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo) geconsulteerd. De daarin voorgestelde wijzigingen hangen onder meer samen met de inwerkingtreding van de Europese PRIIPs-verordening (de Verordening). In aanvulling op deze wijzigingen vindt er ook een aantal technische aanpassingen plaats in de Nrgfo.

  Lees meer………… 

 

Aandachtspunten cafetariaregeling

Bij veel werkgevers en werknemers bestaat de behoefte om een cafetariaregeling overeen te komen. In de publieke sector komen cafetariaregelingen vaak voor in de vorm van een individueel keuzebudget. Bij een cafetariaregeling kunnen een werkgever en een werknemer overeenkomen dat de werknemer een belast beloningsbestanddeel omruilt tegen een vorm van loon, waarbij hij geen of minder belasting betaalt.

  Lees meer………… 

 

Performance pensioenfondsen

In het derde kwartaal van 2017 daalde het aantal pensioenfondsen en collectiviteitskringen (exclusief fondsen in liquidatie en fondsen met minder dan 100 deelnemers) van 236 naar 234. 


214 pensioenfondsen rapporteerden een positief beleggingsrendement in het derde kwartaal. Bij 82% van de fondsen steeg deze beleidsdekkingsgraad tussen de 1% en 4%. De meeste pensioenfondsen hadden eind september 2017 een beleidsdekkingsgraad tussen de 105% en 110%. Bij 39 fondsen is de beleidsdekkingsgraad lager dan 100%. Dit waren er aan het einde van het tweede kwartaal nog 52.

  Lees meer………… 

 

 

Hoogste aantal fusiemeldingen in 10 jaar

Het aantal fusies en overnames dat in 2017 bij de SER is gemeld is het hoogste sinds tien jaar. In 2017 zijn 588 fusies gemeld, dat is een stijging van 12,5 procent ten opzichte van 2016. In 2016 waren er 523 fusiemeldingen; in 2015 waren het er 429.
De meeste fusiemeldingen in 2017 kwamen uit de dienstensector en de industrie.

  Lees meer………… 

 

Plaatmakersregeling en Vut-heffing

Advocaat-generaal (A-G) Niessen adviseert de Hoge Raad om een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling in een Sociaal Plan niet zonder meer te bestempelen als een VUT-regeling.

Als een werkgever een uitkering doet als gevolg van een regeling voor vervroegde uittreding (VUT), valt deze uitkering in principe onder een eindheffing van 52%. De fiscus meende dat een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling in een Sociaal Plan van een werkgever een VUT-regeling omvatte.

  Lees meer………… 

Diverse vraag- en antwoordbesluiten Wet Uitfasering pensioen eigen beheer

 

De afgelopen maanden zijn nog diverse vraag- en antwoordbesluiten gepubliceerd voor de DGA inzake de Wet Uitfasering pensioen in eigen beheer. De meest opvallende zijn wat ons betreft de complexe berekenings- en waarderingsmethode die toegepast dient te worden bij de 'Oudedagsverplichting'. Met name bij het omzetten van een ingegaan pensioen naar een ingegane oudedagsverplichting is onnodig complex geworden.

Ook wordt er voor het eerst gesproken over een 'onzuivere ODV'. Bij foutieve toepassing of uitkeringen dreigt een belastingheffing van in totaal 72% over de waarde.

Onderstaand hebben wij de diverse besluiten van september tot en met december 2017 op een rij gezet.

  Lees meer………… 

 

Groot pensioenbesluit gewijzigd

Op 8 december 2017 heeft een uitgebreide actualisering van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M (Stcrt. 2015,40404) plaatsgevonden. Het besluit is aangepast aan de Wet uitfasering pensioen eigen beheer. Een aantal onderdelen zijn vervallen of aangepast en over de oudedagsverplichting zijn een aantal (positieve) goedkeuringen opgenomen.

De tijdelijke aanwijzing van combinatie-pensioenregelingen met samenloop middelloon- en eindloonfranchise
is permanent gemaakt. Daarnaast is een nieuwe aanwijzing opgenomen van regelingen die na
het verhogen van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar een hoger opbouwpercentage hanteren dan het wettelijk
maximum. 
Het oude besluit van 6 november 2015 is ingetrokken en heeft zijn belang heeft verloren.

  Lees meer………… 

 

Nieuwe pensioenstaffels vanaf 1 januari 2018

De afgelopen jaren zijn verschillende staffelbesluiten gepubliceerd (CPP2009/1487M, BLKB2013/43M, BLKB2014/2132M en
2017-7168) in het kader van de gewijzigde wetgeving.

Vanaf 1 januari 2018 zijn hernieuwde pensioenstaffels van toepassing voor premie- en kapitaalovereenkomsten (beschikbare premieregelingen).
Net als de voorgenoemde besluiten bevat dit besluit ‘nettostaffels’, nu echter gebaseerd op pensioenrichtleeftijd 68 jaar.
Deze staffels bevatten geen opslag voor kosten en ook geen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. 
De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit berusten op artikel 19d, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 en vinden plaats met instemming van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Lees meer………… 

 

 

 

AOW leeftijd in 2023 niet verder omhoog 

De AOW-leeftijd gaat in 2023 niet omhoog. Dat heeft de ministerraad besloten op voorstel van minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het kabinet heeft, op basis van nieuwe cijfers over de levensverwachting van het Centraal Bureau voor de Statistiek, de AOW-leeftijd voor 2023 vastgesteld. Die blijft in 2023 67 jaar en drie maanden, net als in 2022. De levensverwachting is minder snel gestegen dan in voorgaande jaren. Het is voor het eerst sinds 2013 dat de AOW-leeftijd niet omhoog gaat.

Elk jaar wordt gekeken of de AOW-leeftijd moet worden verhoogd op basis van de levensverwachting. Dat moet vijf jaar van tevoren worden gemeld om mensen tijdig hierover te informeren. Dan hebben ze tijd om zelf aanvullende maatregelen te nemen, zoals bijvoorbeeld extra sparen voor hun (aanvullend) pensioen of om nu alvast een extra verzekering af te sluiten als ze toch eerder willen stoppen met werken.

Het kabinet heeft in 2012 besloten de AOW-leeftijd in etappes te verhogen om de oudedagsvoorziening ook in de toekomst betaalbaar te houden. In 2018 wordt de AOW-leeftijd 66 jaar. In 2019, 2020 en 2021 komen daar elk jaar vier maanden bij. In 2021 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar. Vanaf 2022 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Die is vorig jaar oktober vastgesteld op 67 jaar en 3 maanden. En dat blijft ook in 2023 zo.

Wie wil zien wat op dit moment de leeftijd is waarop hij of zij voor het eerst AOW krijgt, kan daarvoor terecht op rekentools op de sites van de Sociale Verzekeringsbank en Wijzer in Geldzaken.

 

 

Onze pensioen kennissessie, waarbij de laatste pensioenactualiteiten en actuele fiscaliteiten  aan de orde komen, specifiek gericht op werkgevers en Directeuren Groot Aandeelhouders, georganiseerd voor accountantsrelaties van Finact Software, DGA Software (www.dgasoftware.nl) , PPN en Pensioendesk Nederland.

Wederom uiterst actueel en helemaal toegespitst op uw adviespraktijk!

Per 1 juli is het niet langer toegestaan om pensioen in eigen beheer actief uit te voeren. De afgelopen maanden heeft de belastingdienst handreikingen en vraag- en antwoordbesluiten gepubliceerd. Heeft dit invloed om de keuzemogelijkheden? Reden om versneld om te zetten of af te kopen? En wat te doen met de DGA-pensioenpolissen? Wij gaan dit uitgebreid met u bespreken.

De ODV-wetgeving is verre van compleet. Verschillende praktijkvragen en toepassingen komen tijdens deze sessie aan bod.

Verder wordt vanaf 1 januari 2018 de pensioenrichtleeftijd 68. Wij vertellen u alle ‘ins and outs’ en laten zien wat de kansen en dilemma’s zijn voor werkgevers, OR en werknemers.

Over deze vraagstukken én andere ontwikkelingen op het gebied van eenzijdig wijzigen en wordt u volledig bijgepraat en krijgt u van ons praktische handvatten aangereikt waarmee u in staat wordt gesteld uw relaties perfect te informeren en te adviseren.

Uw inleider(s)

De cursus wordt op 5 locaties verzorgd door o.a.  Drs. Aloys Harmsen (DGA specialist en associate partner Finact Software), Mevr. Drs. Rosemarie van der Velden MPLA (DGA specialist Jansen en Partners) , Dhr. David Harpe BPLA (pensioenspecialist Finact Software) en Mr. Paul Lavrijssen (Aegon Levensverzekering NV).

Programma

  • Handreiking en ontwikkelingen pensioen eigen beheer
  • Vraag en antwoordbesluiten in de praktijk
  • ODV-overeenkomsten
  • Pensioenleeftijd 68
  • BPF-pensioenverplichtingen in de praktijk

 

Investering

Voor slechts € 129,- excl. BTW bieden wij u een interactieve, praktijkgerichte middagsessie inclusief 3 PE-punten.

(De voorjaarsbijeenkomsten zijn gemiddeld gewaardeerd op een 8,3!)

 

Meld u hier aan

Oprenting oudedagsverplichting (Vraag & Antwoord 17-027 d.d. 290917)

Inleiding
Op grond van artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is het vanaf 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 mogelijk het volledige in eigen beheer verzekerde deel van de opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Op het moment van de afkoop of omzetting mag de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak fiscaal geruisloos worden prijsgegeven voor zover de waarde in het economische verkeer van die aanspraak hoger is dan de fiscale balanswaarde van de tegenover die aanspraak staande pensioenverplichting.

Vraag
Een dga heeft per 1 juli 2017 de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak met toepassing van artikel 38n Wet LB gedeeltelijk prijsgegeven en omgezet in een ODV. Op grond van artikel 38p, eerste lid, Wet LB dient de ODV jaarlijks met een marktrente opgerent te worden.

Hoe verloopt de oprenting van de ODV in de volgende drie situaties:

  • in de uitstelfase (de uitkeringen van de ODV zijn nog niet ingegaan);
  • in het jaar dat de ODV voor het eerst tot uitkering komt;
  • in de uitkeringsfase?

 Hoe kan voor het bepalen van de fiscale winst rekening worden gehouden met de oprenting van de ODV?

Antwoord
Ten aanzien van de oprenting van een ODV geldt over het algemeen het volgende:

  • De ODV wordt jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente. De voor de ODV te gebruiken marktrente is opgenomen in artikel 12.3a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB);
  • In de uitstelfase (de uitkeringen zijn nog niet ingegaan) wordt de ODV steeds nadat een jaar is verstreken opgerent. Het is in de uitstelfase echter ook mogelijk steeds aan het eind van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam op te renten. Indien de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak in de loop van het boekjaar wordt omgezet in een ODV-aanspraak, zal bij oprenting van de ODV aan het eind van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam de eerste oprentingsperiode korter zijn dan twaalf maanden;
  • Wanneer de oprentingsperiode in twee kalenderjaren valt, wordt het oprentingspercentage bepaald op het gewogen gemiddelde van de percentages in de URLB voor de betreffende kalenderjaren;
  • In het jaar waarin de ODV-termijnen ingaan, wordt de ODV, voorafgaand aan de vaststelling van de omvang van de eerste termijn, tot de ingangsdatum opgerent;
  • Nadat de ODV-termijnen zijn ingegaan, wordt de ODV steeds na verloop van één jaar opgerent. De grondslag voor oprenting is het bedrag van de ODV nadat daarop de vervallen termijn (en) in mindering is (zijn) gebracht.

 

Hieronder wordt een en ander verduidelijkt aan de hand van een aantal voorbeelden per geschetste situatie.

Voorbeelden oprenting ODV in de uitstelfase

Oprenten ODV op omzettingsverjaardag (de dag waarop precies één, twee of n jaar is verstreken na omzetten van het pensioen in eigen beheer in een ODV)

  • De in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak is op 1 juli 2017 met toepassing van artikel 38n Wet LB gedeeltelijk prijsgegeven en omgezet in een ODV;
  • De oprenting van het ODV-saldo (vóór ingang van de ODV-termijnen) vindt plaats op de omzettingsverjaardag: 1 juli.

 

Ingeval de ODV-termijnen nog niet zijn ingegaan, vindt de eerste oprenting van de ODV plaats op 1 juli 2018. Het oprentingspercentage is het gewogen gemiddelde van het voor 2017 en het voor 2018 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2016 respectievelijk 2017).

Oprenten ODV per balansdatum van het eigenbeheerlichaam

  • De in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak is op 1 juli 2017 met toepassing van artikel 38n Wet LB gedeeltelijk prijsgegeven en omgezet in een ODV;
  • Het boekjaar van het eigenbeheerlichaam loopt van 1 januari tot en met 31 december.

 

De eerste (tijdsevenredige) oprenting van de ODV vindt plaats op 31 december 2017. Het oprentingspercentage is het in artikel 12.3a URLB voor 2017 opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2016).

Voorbeelden oprenting ODV in het jaar waarin de ODV voor het eerst tot uitkering komt

Oprenten ODV per omzettingsverjaardag

  • De oprenting van het ODV-saldo heeft in de uitstelfase steeds plaatsgevonden op de omzettingsverjaardag, zijnde 1 juli;
  • De ODV-termijnen gaan op 1 maart 2019 in.

 

Bij ingang van de ODV-termijnen moet het ODV-saldo eerst worden opgerent voor de sinds de laatste omzettingsverjaardag verstreken periode (1 juli 2018 tot 1 maart 2019). Het oprentingspercentage is het gewogen gemiddelde van het voor 2018 en het voor 2019 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2017 respectievelijk 2018).

Oprenten ODV per balansdatum van het eigenbeheerlichaam

  • De oprenting van het ODV-saldo heeft in de uitstelfase steeds plaatsgevonden per einde van het boekjaar van het eigenbeheerlichaam, zijnde 31 december;
  • De ODV-termijnen gaan op 1 maart 2019 in.

 

Bij ingang van de ODV-termijnen moet het ODV-saldo eerst worden opgerent voor de in het lopende boekjaar verstreken periode (1 januari 2019 tot 1 maart 2019). Het oprentingspercentage is het voor 2019 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2018).

Voorbeeld oprenting ODV in de uitkeringsfase
In de uitkeringsfase dient het resterende ODV-saldo jaarlijks op de uitkeringsverjaardag te worden opgerent. Met de uitkeringsverjaardag wordt bedoeld de dag waarop het telkens precies één, twee of n jaar na ingang van de ODV-termijnen is. Deze wijze van oprenting volgt uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (kamerstukken 34 555, nr. 3, p. 37).

Ingeval de ODV-uitkeringsverjaardag niet op 1 januari ligt, zullen voor de oprenting van het ODV-saldo op de uitkeringsverjaardag twee marktrentepercentages gehanteerd moeten worden.

Stel de ODV uitkeringsverjaardag is 1 maart. De ODV is in 2019 ingegaan. Op 1 maart 2020 (= de eerste ODV-uitkeringsverjaardag) moet het resterende ODV-saldo worden opgerent. Het oprentingspercentage is het gewogen gemiddelde van het voor 2019 en het voor 2020 in artikel 12.3a URLB opgenomen marktrentepercentage (gemiddeld u-rendement 2018 respectievelijk 2019). De grondslag voor de oprenting is de stand van de ODV per 1 maart 2019 minus de na die datum vervallen termijnen.

Oprenting ODV en fiscale winstberekening
Hetgeen hiervoor over de oprenting is opgenomen, betreft de toepassing van de bepalingen van de Wet LB. Het eigenbeheerlichaam moet bij het bepalen van de fiscale winst, de lasten van de jaarlijkse oprenting van de ODV op basis van goed koopmansgebruik toerekenen aan het boekjaar waarop de oprenting betrekking heeft. Wanneer de oprenting niet op (fiscale) balansdatum plaatsvindt, kan het deel van de eerstvolgende oprenting dat betrekking heeft op de periode tot (fiscale) balansdatum, bij het bepalen van de fiscale winst van het betreffende boekjaar in aanmerking worden genomen door op de fiscale eindbalans een transitorische passiefpost op te nemen.

Voorlopige aangepaste premiestaffels bij pensioenrichtleeftijd van 68 jaar (Vraag & Antwoord 17-002 d.d. 290917)

Inleiding
In artikel 18a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst na het invoeren van de maatregelen van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen) is bepaald dat de in artikel 18a, zesde lid, Wet LB genoemde pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd afhankelijk van de door het CBS vast te stellen ontwikkeling van de resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd. In artikel II, onderdeel B, van het besluit van 21 december 2016 tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen (Staatsblad 2016-549) is aangegeven dat de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 zal worden verhoogd naar 68 jaar.

Vraag
Wat is het effect van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 voor de door de Staatssecretaris van Financiën in het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168, Staatscourant 2017, nr. 4421 in de bijlagen I, IV en VII gepubliceerde premiestaffels?

Antwoord
Nu de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 wordt verhoogd naar 68 jaar, zijn nieuwe premiestaffels nodig. De premiepercentages van de staffels moeten per 1 januari 2018 worden aangepast aan het premiebedrag dat nodig is voor een ouderdomspensioen met een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar. De per 1 januari 2018 te gebruiken aangepaste premiestaffels zullen naar verwachting in de loop van 2017 in een beleidsbesluit worden gepubliceerd.

Er is nu nog geen beleidsbesluit met aan de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar aangepaste premiestaffels gepubliceerd. Dit blijkt voor pensioenuitvoerders een knelpunt op te leveren voor het per 1 januari 2018 kunnen doorvoeren van de verhoogde pensioenrichtleeftijd. Daarom zijn in dit Vraag & Antwoord voorlopige aangepaste premiestaffels opgenomen die waarschijnlijk in de loop van 2017 in een beleidsbesluit gepubliceerd zullen worden.

Voorlopige staffels
De omvang van de aangepaste premiestaffels staat nog niet definitief vast. De aangepaste premiestaffels voor een pensioenrichtleeftijd van 68 jaar zijn berekend op basis van de huidige fiscale pensioenregels. Eventuele andere per 1 januari 2018 door te voeren wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen tot gevolg hebben dat de premiestaffels nader aangepast moeten worden.

Hierna zijn de voorlopige aangepaste premiestaffels opgenomen. De aangepaste premiestaffels zijn berekend op basis van de meest recente overlevingstafels GBM/GBV 2011/2016. De overige rekengrondslagen zijn niet gewijzigd ten opzichte van de in het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 gehanteerde rekengrondslagen.

VOORLOPIGE AANGEPASTE PREMIESTAFFELS PER 1 JANUARI 2018

 

    1. Voorlopige premiestaffels per 1 januari 2018 voor de toepassing van de aanwijzing als bedoeld in onderdeel 3.3 van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168

       

      Volgens de huidige vooruitzichten zullen deze premiestaffels per 1 januari 2018 de staffels van bijlage I van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 vervangen. De definitieve aangepaste premiestaffels zullen bij beleidsbesluit worden vastgesteld.

      Tabel 1

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag
      (opbouw gericht op 1,875% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

       

      OP

      OP en uitgesteld
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      bereikbaar PP

      15 tot en met 19

      3,2

      3,9

      4,4

      4,6

      20 tot en met 24

      3,7

      4,4

      5,1

      5,4

      25 tot en met 29

      4,5

      5,4

      6,1

      6,6

      30 tot en met 34

      5,5

      6,6

      7,4

      7,8

      35 tot en met 39

      6,7

      8,0

      8,9

      9,4

      40 tot en met 44

      8,2

      9,8

      10,7

      11,3

      45 tot en met 49

      10,0

      11,9

      13,0

      13,6

      50 tot en met 54

      12,2

      14,6

      15,7

      16,4

      55 tot en met 59

      15,0

      18,0

      19,0

      19,8

      60 tot en met 64

      18,6

      22,4

      23,1

      23,7

      65 tot en met 67

      22,3

      26,8

      27,2

      27,3

      Tabel 2

       

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag
      (opbouw gericht op 1,701% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

       

      OP

      OP en uitgesteld
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      bereikbaar PP

      15 tot en met 19

      2,9

      3,5

      4,0

      4,2

      20 tot en met 24

      3,4

      4,0

      4,6

      4,9

      25 tot en met 29

      4,1

      4,9

      5,5

      6,0

      30 tot en met 34

      5,0

      6,0

      6,7

      7,1

      35 tot en met 39

      6,1

      7,3

      8,1

      8,5

      40 tot en met 44

      7,4

      8,9

      9,8

      10,2

      45 tot en met 49

      9,1

      10,8

      11,8

      12,3

      50 tot en met 54

      11,1

      13,2

      14,3

      14,9

      55 tot en met 59

      13,6

      16,3

      17,3

      18,0

      60 tot en met 64

      16,9

      20,3

      21,0

      21,5

      65 tot en met 67

      20,3

      24,4

      24,7

      24,8

      Tabel 3

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag
      (opbouw gericht op 1,788% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

       

      OP

      OP en uitgesteld
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      bereikbaar PP

      15 tot en met 19

      3,1

      3,7

      4,2

      4,4

      20 tot en met 24

      3,5

      4,2

      4,8

      5,1

      25 tot en met 29

      4,3

      5,1

      5,8

      6,3

      30 tot en met 34

      5,3

      6,3

      7,0

      7,5

      35 tot en met 39

      6,4

      7,6

      8,5

      8,9

      40 tot en met 44

      7,8

      9,3

      10,2

      10,7

      45 tot en met 49

      9,5

      11,4

      12,4

      13,0

      50 tot en met 54

      11,6

      13,9

      15,0

      15,7

      55 tot en met 59

      14,3

      17,2

      18,2

      18,9

      60 tot en met 64

      17,8

      21,3

      22,1

      22,6

      65 tot en met 67

      21,3

      25,6

      25,9

      26,1

 

 

    1. Voorlopige premiestaffels per 1 januari 2018 voor de toepassing van de aanwijzing als bedoeld in onderdeel 6.1 van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168

       

      Volgens de huidige vooruitzichten zullen deze premiestaffels per 1 januari 2018 de staffels van bijlage IV van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 vervangen. De definitieve aangepaste premiestaffels zullen bij beleidsbesluit worden vastgesteld.

      Tabel 1

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag
      (opbouw gericht op 1,875% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

       

      OP

      OP en uitgesteld
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      bereikbaar PP

      15 tot en met 19

      5,7

      6,9

      7,8

      8,0

      20 tot en met 24

      6,3

      7,7

      8,7

      9,1

      25 tot en met 29

      7,3

      8,9

      10,0

      10,5

      30 tot en met 34

      8,5

      10,4

      11,5

      12,1

      35 tot en met 39

      9,9

      12,0

      13,3

      13,8

      40 tot en met 44

      11,5

      14,0

      15,3

      15,9

      45 tot en met 49

      13,4

      16,3

      17,7

      18,4

      50 tot en met 54

      15,6

      19,0

      20,4

      21,2

      55 tot en met 59

      18,3

      22,3

      23,6

      24,5

      60 tot en met 64

      21,7

      26,5

      27,4

      28,1

      65 tot en met 67

      25,0

      30,6

      31,0

      31,2

      Tabel 2

       

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag
      (opbouw gericht op 1,701% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

       

      OP

      OP en uitgesteld
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      bereikbaar PP

      15 tot en met 19

      5,2

      6,3

      7,1

      7,3

      20 tot en met 24

      5,7

      7,0

      7,9

      8,2

      25 tot en met 29

      6,7

      8,1

      9,1

      9,6

      30 tot en met 34

      7,7

      9,4

      10,4

      11,0

      35 tot en met 39

      9,0

      10,9

      12,0

      12,6

      40 tot en met 44

      10,4

      12,7

      13,9

      14,5

      45 tot en met 49

      12,1

      14,8

      16,0

      16,7

      50 tot en met 54

      14,2

      17,3

      18,5

      19,3

      55 tot en met 59

      16,6

      20,3

      21,4

      22,2

      60 tot en met 64

      19,7

      24,0

      24,8

      25,5

      65 tot en met 67

      22,7

      27,8

      28,1

      28,3

      Tabel 3

      Leeftijdsklassen tot 68 jaar

      Percentage van de pensioengrondslag
      (opbouw gericht op 1,788% per dienstjaar bij middelloonstelsel)

       

      OP

      OP en uitgesteld
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      opgebouwd PP

      OP en direct
      ingaand
      bereikbaar PP

      15 tot en met 19

      5,4

      6,6

      7,5

      7,7

      20 tot en met 24

      6,0

      7,3

      8,3

      8,6

      25 tot en met 29

      7,0

      8,5

      9,5

      10,1

      30 tot en met 34

      8,1

      9,9

      11,0

      11,5

      35 tot en met 39

      9,4

      11,5

      12,7

      13,2

      40 tot en met 44

      11,0

      13,3

      14,6

      15,2

      45 tot en met 49

      12,8

      15,5

      16,9

      17,5

      50 tot en met 54

      14,9

      18,1

      19,5

      20,2

      55 tot en met 59

      17,5

      21,3

      22,5

      23,4

      60 tot en met 64

      20,7

      25,2

      26,1

      26,8

      65 tot en met 67

      23,9

      29,2

      29,6

      29,7

 

  1. Voorlopige premiestaffels per 1 januari 2018 voor de toepassing van de aanwijzingen als bedoeld in onderdeel 8 van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168

     

    Volgens de huidige vooruitzichten zullen deze premiestaffels voor nettopensioenregelingen per 1 januari 2018 de staffels van bijlage VII van het besluit van 20 januari 2017, nr. 2017-7168 vervangen. De definitieve aangepaste premiestaffels zullen bij beleidsbesluit worden vastgesteld.

    1. Premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 4% rekenrente

    Leeftijdsklassen tot 68 jaar

    Percentage van de pensioengrondslag nettopensioenregeling

     

    15 tot en met 19

     

    2,2

    20 tot en met 24

    2,6

     

    25 tot en met 29

     

    3,2

    30 tot en met 34

    3,7

     

    35 tot en met 39

     

    4,5

    40 tot en met 44

    5,4

     

    45 tot en met 49

     

    6,5

    50 tot en met 54

    7,9

     

    55 tot en met 59

     

    9,5

    60 tot en met 64

    11,4

     

    65 tot en met 67

     

    13,1

     

    2. Premiestaffel voor de nettopensioenregeling op basis van 3% rekenrente

    Leeftijdsklassen tot 68 jaar

    Percentage van de pensioengrondslag nettopensioenregeling

     

    15 tot en met 19

     

    3,8

    20 tot en met 24

    4,4

     

    25 tot en met 29

     

    5,0

    30 tot en met 34

    5,8

     

    35 tot en met 39

     

    6,6

    40 tot en met 44

    7,6

     

    45 tot en met 49

     

    8,8

    50 tot en met 54

    10,2

     

    55 tot en met 59

     

    11,8

    60 tot en met 64

    13,5

     

    65 tot en met 67

     

    15,0

Algemene informatie instemmingsrecht OR


De ondernemingsraad (OR) kan instemmingsrecht hebben op de arbeidsvoorwaarde pensioen. Er zijn ook situaties waarin dat niet het geval is. Het is van belang om per pensioenregeling (of onderdeel daarvan) te controleren welke van de onderstaande situaties zich mogelijk voordoet.

Instemmingsrecht OR
De OR heeft op grond van artikel 27 Wet op de ondernemingsraden (WOR) instemmingsrecht op de arbeidsvoorwaarde pensioen wanneer het gaat om een voorgenomen besluit van de ondernemer (hierna: werkgever) tot vaststelling, wijziging of intrekking van regelingen op grond van een pensioenovereenkomst Instemmingsrecht OR pensioen toelichting. Enkele elementen worden hieronder uitgelicht:

  • Instemmingsrecht: het instemmingsrecht van artikel 27 WOR gaat over besluiten waarbij de werkgever de instemming van de OR nodig heeft voordat hij ze kan nemen;
  • Voorgenomen besluit van de werkgever: de instemming is alleen vereist voor besluiten die de werkgever zelf kan en wil nemen. De werkgever kan besluiten over pensioenregelingen of onderdelen daarvan nemen, wanneer hij daarover zeggenschap, dus keuzevrijheid, heeft;
  • Besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking: de OR heeft instemmingsrecht bij voorgenomen besluiten van de werkgever die de arbeidsvoorwaarde pensioen raken. Denk aan het vaststellen, wijzigen of intrekken van pensioenregelingen of onderdelen daarvan. Hiertoe behoort ook een voorgenomen keuze van de werkgever voor een pensioenuitvoerder. Voorwaarde is dat de werkgever keuzevrijheid heeft;
  • Regelingen o.g.v. een pensioenovereenkomst: het instemmingsrecht ziet op zaken die het pensioenresultaat kunnen beïnvloeden en dus de arbeidsvoorwaarde pensioen. Deze zaken zijn in de eerste plaats geregeld in de pensioenovereenkomst, maar ook in de uitvoeringsovereenkomst kunnen afspraken staan die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst Instemmingsrecht OR pensioen toelichting. Het instemmingsrecht ziet dan op vaststelling, wijziging of intrekking van de regeling zelf, niet op de uitvoeringsbesluiten die genomen worden op basis van de regeling. Bijvoorbeeld, de OR heeft instemmingsrecht bij wijziging van de systematiek van
    premievaststelling, maar geen instemmingsrecht bij de premievaststelling zelf;
  • Algemene strekking: het instemmingsrecht is niet van toepassing op individuele regelingen Beperking instemmingsrecht OR


Het onderhandelen over de arbeidsvoorwaarde pensioen is in beginsel voorbehouden aan sociale partners, dat wil zeggen werkgevers- en werknemersorganisaties. Zo kunnen brancheorganisaties en vakbonden of beroepsorganisaties in cao’s afspraken maken over de arbeidsvoorwaarde pensioen en kunnen pensioenregelingen sluiten op bedrijfstakniveau en op ondernemingsniveau. Ten aanzien van de onderdelen die in een cao of in dit soort pensioenregelingen uitputtend geregeld zijn, heeft de werkgever géén zeggenschap en de OR dus ook geen instemmingsrecht.


Bedrijfstakpensioenfonds
Wanneer sprake is van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, heeft de individuele werkgever géén zeggenschap en/of keuzevrijheid ten aanzien van de verplichtgestelde pensioenregelingen en de OR dus geen medezeggenschap.
Let wel: Wanneer een onderneming vrijwillig wil deelnemen aan een (verplichtgesteld) Bpf, is het voorgenomen besluit van de werkgever om vrijwillig deel te nemen instemmingsplichtig.
Hetzelfde geldt voor het voorgenomen besluit om niet langer deel te nemen. Maar gedurende de tijd dat de onderneming vrijwillig deelneemt in een verplichtgesteld Bpf, heeft de werkgever – op de onderdelen waar de bedrijfstakpensioenfondsregeling géén keuzevrijheid biedt - geen zeggenschap over de inhoud van de pensioenovereenkomst en wijzigingen daarin, en de OR dus géén medezeggenschap.

CAO-bepalingen
Wanneer sociale partners - werkgever(verenigingen) en vakbonden of beroepsorganisaties - in een cao afspraken vastleggen over de arbeidsvoorwaarde pensioen of onderdelen daarvan, kan dit het instemmingsrecht van de OR beperken, maar ook uitbreiden. Een CAO kan een bedrijfstak-cao zijn. Deze cao geldt voor alle ondernemingen in die bedrijfstak. Het kan ook gaan om een ondernemings-cao. Deze geldt voor de betreffende onderneming. In dit voorlichtingsdocument wordt onder CAO tevens verstaan een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.

De volgende mogelijkheden doen zich voor:
1. Uitputtende regeling: de cao regelt het betreffende onderdeel van een pensioenregeling uitputtend. Afwijking is niet mogelijk. De OR heeft geen instemmingsrecht;
2. Inlijving: de cao bepaalt uitsluitend dat deelgenomen wordt in een met naam genoemd pensioenfonds. De besluiten over de inhoud van de pensioenregeling worden dan niet door de cao-partijen maar het pensioenfondsbestuur genomen. De OR heeft geen instemmingsrecht;
3. Kaderstellend: de cao bevat een (kader)regeling voor het betreffende onderdeel van een pensioenregeling. De werkgever heeft de mogelijkheid (of de opdracht) om de regeling nader uit te werken. De OR heeft instemmingsrecht op de nadere uitwerking;
4. Niets geregeld: de cao laat een aantal pensioenonderdelen ongeregeld en doorgaans ook onbenoemd. Denk bijvoorbeeld aan een excedentregeling of een nabestaandenregeling. De werkgever heeft de keuzevrijheid om een of meerdere van deze pensioenonderdelen zelf te regelen. Besluit de werkgever hiertoe, dan heeft de OR daarop instemmingsrecht.
Uitbreiding instemmingsrecht OR
De bevoegdheden van de OR – waaronder het instemmingsrecht – kunnen worden uitgebreid in een CAO of in een ondernemingsovereenkomst. Artikel 32 WOR beschrijft de wijze waarop dit kan.

Uitbreiding CAO
De uitbreiding van bevoegdheden kan via bepalingen in een cao. In een cao kan een kaderregeling opgenomen zijn (met de opdracht dat) die op ondernemingsniveau met de OR nader wordt uitgewerkt. Denk bijvoorbeeld aan een cao die een bandbreedte voor het opbouwpercentage bepaalt.


Ondernemingsovereenkomst
Uitbreiding van bevoegdheden van een OR kan ook via een schriftelijke overeenkomst tussen werkgever en OR waarin zij nader gemaakte afspraken vastleggen. Denk bijvoorbeeld aan procedureafspraken, bijvoorbeeld hoe werkgever en OR samen vaststellen of een element uit een uitvoeringsovereenkomst instemmingsplichtig is.
Of aan een afspraak dat de OR instemmingsrecht krijgt over onderwerpen die niet al in artikel 27 WOR staan. Of aan een afspraak over toepassing van de WOR, zoals een scholingsbudget.


Informatierecht
Een OR heeft recht op die informatie die hij redelijkerwijze nodig heeft om zijn taak goed te kunnen vervulling. In artikel 31 WOR en verder is geregeld welk soort informatie de werkgever sowieso aan de OR verstrekt en welk soort informatie hij verstrekt wanneer de OR daar om vraagt.
Per 1 oktober 2016 is artikel 31f WOR toegevoegd. Dit artikel verplicht de werkgever om de OR zo spoedig mogelijk te informeren over elke voorgenomen vaststelling, wijziging, of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst. De werkgever moet dit uit zichzelf doen. Dit biedt de OR de mogelijkheid om te beoordelen of dit voornemen invloed heeft op de arbeidsvoorwaarde pensioen en de werkgever dus instemming moet vragen.
Is de OR van oordeel dat een of meer uitvoeringsaspecten waarop de voorgenomen wijziging ziet, de arbeidsvoorwaarde pensioen raak(en)t, zal hij de werkgever tijdig moeten vragen om een instemmingsverzoek. Bij verschil van mening is het aan de OR om te stellen en te bewijzen dat het betreffende element uit de uitvoeringsovereenkomst de arbeidsvoorwaarde pensioen raakt.


Sancties op besluiten zonder instemming
Heeft de werkgever bij een voorgenomen besluit de OR om instemming gevraagd en heeft de OR instemming geweigerd, dan kan de werkgever aan de kantonrechter toestemming vragen om het voorgenomen besluit te nemen. De kantonrechter geeft alleen toestemming als de beslissing van de OR om geen instemming te verlenen onredelijk is of als het voorgenomen besluit van de werkgever wordt gevergd door zwaarwegende bedrijfsbelangen.
Heeft de werkgever een instemmingsplichtig besluit genomen zonder dat hij van de OR instemming heeft gekregen en zonder dat hij toestemming heeft gekregen, dan kan de OR de nietigheid van het besluit inroepen. De OR moet de nietigheid schriftelijk inroepen.
De OR dient dit te doen binnen een maand nadat de werkgever hen het besluit heeft meegedeeld of – als dat niet is gebeurd – binnen een maand nadat de OR gebleken is dat de werkgever uitvoering of toepassing geeft aan het besluit. Als de werkgever zijn besluit – ondanks het schriftelijke beroep van de OR op de nietigheid – toch uitvoert of toepast, kan de OR de kantonrechter vragen de werkgever te verbieden zijn besluit uit te voeren.

Praktische tips
Pensioenregelingen en het instemmingsrecht van de OR bij de arbeidsvoorwaarde pensioen is ingewikkelde materie. De Commissie Bevordering Medezeggenschap van de SER (CBM) heeft enkele praktische tips gepubliceerd ten behoeve van ondernemingsraden en werkgevers. Zie ook ‘Arbeidsvoorwaarde pensioen in een uitvoeringsovereenkomst’.


1. Zorg voor informatie en transparantie over alle binnen de onderneming geldende regelingen op grond van een pensioenovereenkomst en gemaakte afspraken. Denk daarbij onder meer aan informatie over de inhoud van de arbeidsvoorwaarde pensioen; de documenten waarin deze is geregeld zoals pensioenovereenkomst, uitvoeringsovereenkomst, cao; de pensioenuitvoerder; afspraken tussen werkgever en OR.
2. Voer tijdig de dialoog wanneer er onduidelijkheden zijn of ontstaan over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Denk daarbij onder meer aan onduidelijkheid over de vraag of een bepaald element uit een uitvoeringsovereenkomst wel of niet instemmingsplichtig is. Maak als werkgever en OR gezamenlijk vooraf afspraken hoe te handelen wanneer een onduidelijkheid ontstaat en leg deze afspraken schriftelijk vast.
3. Volg voldoende scholing op dit gebied. Dat geldt zowel voor de werkgever als OR. Werkgever en OR zouden moeten zorgen dat zij tenminste voldoende basiskennis hebben om te kunnen onderscheiden welke besluiten gevolgen hebben op het pensioenresultaat en dus de arbeidsvoorwaarde pensioen. Leden van de OR hebben recht op scholing en vorming. De CBM beveelt zowel de OR als de werkgever aan om gebruik te maken van dit recht op scholing en vorming en verwijst naar haar Aanbeveling inzake de scholing en vorming van OR-leden van 21 december 2012.
4. Schakel bij vraagstukken inzake pensioenregelingen tijdig een of meer deskundige(n) in. Dat kan zowel de werkgever als de OR doen. De OR kan een of meer deskundigen uitnodigen om een vergadering van de OR bij te wonen, wanneer hij dat voor de behandeling van een bepaald onderwerp (bijvoorbeeld pensioen) nodig acht. Ook kan een deskundige worden uitgenodigd om een schriftelijk advies uit te brengen.

Daarnaast kan zowel de werkgever als de OR een of meer deskundigen uitnodigen om een overlegvergadering bij te wonen. De OR moet bij het inschakelen van een deskundige vooraf de werkgever in kennis stellen van de te maken kosten. Dit laatste is niet nodig wanneer de OR een vooraf met de werkgever vastgesteld budget heeft en de kosten hier binnen blijven.

Pensioen en echtscheiding (DGA)

Op 14 april 2017 heeft de Hoge Raad (HR:2017:693) een impactvolle uitspraak gedaan inzake afstorting ‘pensioen in eigen beheer’.

De afstorting dient zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op het pensioen in beginsel (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd.

Dit brengt met zich dat indien op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de vereveningsgerechtigde af te storten, én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om de pensioenaanspraak van de vereveningsplichtige te dekken, het tekort in beginsel zal moeten worden gedeeld.

Aanleiding

Op grond van de Wet VPS heeft de echtgenoot in beginsel recht op verevening van de opgebouwde pensioenaanspraken. In geval van het pensioen van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) waarbij het pensioen binnen zijn of haar eigen B.V. heeft opgebouwd, is de vereveningsgerechtigde echtgenoot aangewezen op de betreffende vennootschap.

Hoewel ook in dat geval sprake is van een rechtstreeks recht op uitbetaling, verkeert de ex-partner dan in een afhankelijke positie van de DGA en vennootschap.

In 2007 heeft de Hoge Raad al beslist (HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658) dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, in het algemeen meebrengen dat afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak wenselijk is.

De beantwoording van de vraag of in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt op de door de Hoge Raad geformuleerde afstortingsverplichting, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, waarbij de omstandigheid dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren, niet zonder meer aan die verplichting in de weg staat.

Cassatie

In cassatie geeft de vrouw onder meer aan dat het hof zich bij haar oordeel niet heeft gehouden aan het uitgangspunt dat afstorting van het aan de man toekomende deel van het pensioen in eigen beheer, niet ertoe mag leiden dat de aanspraken van partijen op dit pensioen niet in dezelfde mate verzekerd zijn. Zij wijst er in dit verband op dat zij heeft gesteld dat na afstorting onvoldoende middelen overblijven om haar aandeel in het pensioen te kunnen uitkeren.

Uitspraak

De Hoge Raad acht deze klacht gegrond en overweegt dat het wettelijke uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het opgebouwde pensioen, onverkort van toepassing is indien een afstortingsplicht bestaat.

De afstorting dient dan ook zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op het pensioen in beginsel in dezelfde mate zijn verzekerd. In dit verband dient volgens de Hoge Raad tot uitgangspunt te worden genomen dat indien de vennootschap een pensioentoezegging doet, de vennootschap ook zorg dient te dragen dat zij deze te zijner tijd kan nakomen. Indien en voor zover de opbouw van het pensioen in eigen beheer plaatsvindt, dient de vennootschap daarom in beginsel over voldoende kapitaal daartoe te beschikken (in de vorm van een voorziening of van eigen vermogen).

 

Postrelationele solidariteit

De Hoge Raad overweegt dat het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig art. 3 lid 1 WVPS leidt.

Dit betekent dat er onderzoek moet plaatsvinden in de vennootschap aanwezige kapitaal toereikend is om zowel de pensioenaanspraak van de man als die van de vrouw af te storten.

De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof vernietigd en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

 

 

 

 

 

Aanpassing lijfrenteaftrek en OR-dotatie in 2018

Op 21 december 2016 heeft de Staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd waarin een aantal wijzigingen in de belastingwetgeving worden doorgevoerd waaronder de aanpassingen omtrent lijfrenteaftrek en OR-dotatie. Het besluit is nader aangeduid als ‘eindejaarsbesluit 2017’.

Achtergrond

Sinds 2014 is de pensioenrichtleeftijd die gebruikt wordt voor het berekenen van de maximale fiscale pensioenopbouw in de tweede pijler, afhankelijk van de levensverwachting. Per 1 januari 2018 wordt daarom de pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 68 jaar. Omdat de maximale opbouw van lijfrente en oudedagsreserve (OR-dotatie) is gekoppeld aan de fiscale opbouwruimte voor het tweede pijler pensioen wijzigt ook de lijfrente- en oudedagsreserveringsruimte per dezelfde datum.

Lijfrentepremieaftrek verlaagd Artikel 3.127, zesde lid, Wet IB 2001 bepaalt dat het premiepercentage voor de bepaling van de jaarruimte voor een lijfrente bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, wordt verlaagd met 0,5%-punt. Het premiepercentage in de formule voor de lijfrentepremieaftrek wordt dus verlaagd van 13,8% in 2017 naar 13,3% in 2018.
De vermenigvuldigingsfactor voor de jaarlijkse pensioenaangroei (factor A) wordt verlaagd van 6,5 in 2017 naar 6,27 in 2018.
De formule voor de berekening van de jaarruimte in 2017 en 2018 is dan als volgt:

  • jaarruimte 2017: 13,8% maal premiegrondslag -/- (6,50 maal factor A) -/- F
  • Jaarruimte 2018: 13,3% maal premiegrondslag -/- (6,27 maal factor A) -/- F
    F = de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar verminderd met de afname van de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar.

Per saldo wordt de lijfrentepremieaftrek bij een gelijkblijvende premiegrondslag iets minder.

Oudedagsreserve verlaagd

De dotatieruimte wordt berekend op basis van het dotatiepercentage maal de winst. Op grond van artikel 3.68, vierde lid, Wet IB 2001 wordt het dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve uit artikel 3.68, eerste lid, Wet IB 2001 bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, verlaagd met 0,36%-punt.
Het dotatiepercentage wordt dus verlaagd van 9,8% in 2017 naar 9,44% in 2018. Bij een gelijkblijvende winst wordt dus de dotatieruimte en pensioenspaarmogelijkheden verlaagd.

 Medezeggenschap kleine ondernemingen

Op 26 januari 2017 heeft de SER een ontwerpadvies uitgebracht over instemming en medezeggenschap bij pensioen in kleine ondernemingen. Dit zijn ondernemingen in de grootte van 10 tot 50 werknemers, waarbij geen Ondernemingsraad van toepassing is.


In de praktijk wordt hiervoor wel, op verzoek van de werknemers, een zogenaamde ‘personeelsvertegenwoordiging’(PVT) ingesteld. Als er geen PVT is dan dient de werkgever tweemaal per jaar een personeelsvergadering te houden, waarbij er sprake is van zeer beperkte instemmingsrechten (gericht op de primaire arbeidsvoorwaarden).
De huidige systematiek van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) wordt in stand gehouden en niet aangetast. Dit heeft te maken met de complexiteit van grote(re) pensioenregelingen en de administratieve lasten.

Oordeel van de Raad
Er zijn verschillende mogelijkheden om de medezeggenschap, dan wel invloed, van werknemers in kleine ondernemingen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde ‘pensioen’ te versterken.
Dit betreft:

  1. het bevorderen van bekendheid en naleving van de bestaande bevoegdheden en mogelijkheden van de personeelsvertegenwoordiging (PVT) en/of personeelsvergadering (PV) binnen en buiten de Wet op de ondernemingsraden (WOR), waaronder het adviesrecht (zonder beroep op de Ondernemingskamer);
  2. het versterken van enkele bevoegdheden van de PVT en/of PV binnen de WOR, te weten informatierecht, informatieplicht (die op werkgever rust) en initiatiefrecht ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde pensioen;
  3. het bevorderen van onafhankelijke en betaalbare informatievoorziening inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen.

Naar het oordeel van de raad zou het specifiek toekennen van instemmingsrecht aan de PVT en/of PV voor de ‘arbeidsvoorwaarde pensioen’ in kleine ondernemingen het systeem van de WOR verstoren. Dit kan leiden tot kosten- en lastendrukverhoging alsmede ongewenste effecten.

Informatieplicht
Op dit moment zet de SER in op een soort informatieverplichting voor de werkgever richting werknemers. Zo ontstaat er een vorm van adviesrecht voor werknemers in kleine(re) ondernemingen.

Onze opmerking
Het is voor deze groep werkgevers verstandig om bij ingrijpende pensioenwijzingen en arbeidsvoorwaarden een personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering (tijdelijk) in te stellen. Aangezien ook de SER van mening is dat pensioentoezeggingen en wijzigingen in het bijzonder relatief complex zijn, is extra overleg en inzicht van essentieel belang

 

Novelle Pensioen in eigen beheer

Op maandag 23 januari is de novelle op de Wet uitfasering Pensioen in Eigen Beheer gepubliceerd. De novelle bevat een (voorwaardelijke) mogelijkheid tot aftrek van de lasten van de toekomstige indexatie van de pensioenaanspraken of van de pensioenuitkeringen, afhankelijk van de keuze afkoop op omzetting.

Deze aanvulling is met name bedoeld voor pensioentoezeggingen op basis van ‘extern eigen beheer’.

  Lees meer………… 

 

Uniform pensioenoverzicht 2017

Staatssecretaris Klijnsma van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de UPO 2017 modellen officieel goedgekeurd en vastgelegd. Al veel eerder, op 1 juli 2015, is de Wet pensioencommunicatie geïntroduceerd maar wel met een gefaseerde invoer tot in 2017.

  Lees meer………… 

 

Ongelijke strijd pensioenfondsen

Steeds meer pensioenfondsen bevinden zich in zwaar weer. Media berichten regelmatig dat kortingen in 2017 niet uit te sluiten zijn. Daarnaast worstelen vooral de kleinere pensioenfondsen met hun voortbestaan. Het blijkt moeilijk om goede, deskundige bestuursleden te vinden die ook de tijd hebben om een pensioenfonds te besturen.

 

 

  Lees meer………… 

 

 

 

Een pensioen kennissessie, waarbij de   laatste pensioenactualiteiten  en actuele fiscaliteiten  aan de orde komen, specifiek gericht op Directeuren Groot Aandeelhouders, georganiseerd voor accountantsrelaties van Finact Software, DGA Software (www.dgasoftware.nl) en Penisoendesk Nederland.

Wederom uiterst actueel en helemaal toegespitst op uw adviespraktijk!

Op 23 januari 2017 informeerde Staatssecretaris Wiebes de Kamer over de (definitieve) oplossing van de knelpunten bij het pensioen in eigen beheer.

Is de pensioenklem werkelijk een probleem voor de DGA? Hoe gaat een mogelijke overgang van eigen beheer en wordt de DGA persoonlijk aansprakelijk voor de (toekomstige) verplichtingen? Afkoop tegen een aantrekkelijk tarief of toch belastingheffing uitstellen? En hoe zit het met bestaande (ingebouwde) verzekerde regelingen?

De keuzes voor de zowel de DGA als zijn of haar (ex)partner met impactanalyses komen uitgebreid aan bod!

Over deze vraagstukken en andere ontwikkelingen wordt u volledig bijgepraat en krijgt u van ons praktische handvatten aangereikt waarmee u in staat wordt gesteld uw relaties perfect te informeren en te adviseren.

Uw inleider(s)

De cursus wordt op 6 locaties verzorgd door o.a.  Drs. Aloys Harmsen (DGA specialist en associate partner Finact Software), Mevr. Drs. Rosemarie van der Velden MPLA (DGA specialist Jansen en Partners) en Dhr. Noach A.G. van Beusekom MPLA/©CFP (Directeur Pensioendesk Nederland).

Programma

  • Knelpunten pensioen eigen beheer
  • Oplossingrichting afkoop pensioen in eigen beheer
  • Afschaffen eigen beheer en fiscaal/juridische gevolgen
  • Inbouw bestaande verzekerde regelingen in eigen beheer
  • Toekomst pensioen eigen beheer
  • Pensioenadvisering en jurisprudentie

Locaties en data

Dag             Datum                      Plaats           T ijdstip

Dinsdag        14 maart 2017     Eindhoven     13.00- 16.00 uur

Donderdag   16 maart 2017     Purmerend    13.00- 16.00 uur 

Dinsdag        21 maart 2017     Breda            13.00- 16.00 uur 

Donderdag    23 maart 2017    Amersfoort     13.00- 16.00 uur 

Dinsdag        28 maart 2017     Arnhem         13.00- 16.00 uur 

PE-punten

Voor uw deelname aan de DGA Pensioen Roadshow ontvangt u als lid van:

RB                3 PE punten

NBA             eigen accreditatie o.b.v. bewijs van deelname

NOB             eigen accreditatie o.b.v. bewijs van deelname

De prijs per deelnemer bedraagt € 129,- (exclusief btw). 

Aanmelden

U kunt zich aanmelden via ons contactformulier. U ontvangt dan snel een deelnamebevestiging.

Zorgen partnerpensioen in eigen beheer

Bij SRA, RB en NOAB bestaan grote zorgen over de uitfasering van in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken. Volgens de organisaties staat de partnerproblematiek in de weg aan de beoogde uitfasering van het Pensioen in Eigen Beheer (PEB), schrijven zij in een brandbrief aan de Eerste Kamer.

  Lees meer………… 

 

Aanpassingsdatum pensioen eigen beheer

Kamerlid De Vries heeft tijdens het schriftelijk overleg van 10 november jl., gevraagd of de tijd tot 1 januari 2017 voldoende is om fatsoenlijk advies in winnen en de benodigde stappen te kunnen zetten.

Naar aanleiding van de signalen uit het veld en uit de Tweede Kamer is staatssecretaris Wiebes  voornemens de directeur-grootaandeelhouder (DGA) op dit punt tegemoet te komen.

  Lees meer………… 

 

Wijziging regels indexatiedepots

Er komen nieuwe regels voor aparte indexatiedepots van pensioenfondsen

Pensioenfondsen mogen aparte potjes aanhouden, onder andere voor indexatie van pensioenen. Sinds de invoering van de nieuwe financiële toezichtregels voor pensioenen vanaf 1 januari 2015 mogen fondsen niet meer indexeren dan hun financiële positie toelaat. Dat geldt normaal gesproken ook bij de inzet van depots. Om bepaalde arbeidsvoorwaardelijke afspraken over een wijziging van de pensioenregeling te vergemakkelijken, wordt nu onder strikte voorwaarden toegestaan dat fondsen tijdelijk extra indexatie uit een depot mogen verlenen.

 

 

  Lees meer………… 

 

 

 

Pensioenaftopping deeltijdarbeiders

De staatssecretaris ziet geen reële mogelijkheden om op een andere wijze dan het hanteren van een deeltijdfactor te voorkomen dat iemand met meerdere deeltijddienstbetrekkingen in totaal over een hoger pensioengevend loon dan het maximum van € 101.519 pensioen kan opbouwen. Dat laat hij weten in een brief aan de Eerste Kamer.

  Lees meer………… 

 

Controle handtekening partner

Het gerechtshof Den Haag heeft op 26 juli 2016 een uitspraak gedaan in een door de pensioenpraktijk met belangstelling gevolgde zaak. De pensioenuitvoerder moet de echtheid van een handtekening van de partner controleren.

  Lees meer………… 

 

Communicatie vrijwillige pensioenregeling

Het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie hebben naar aanleiding van vragen van hun leden over Pensioen 1-2-3 overleg gevoerd met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De volgende onderwerpen zijn, in relatie tot artikel 45 en 46a van de Pensioenwet en Pensioen 1-2-3 besproken:


Hoe artikel 45 van de Pensioenwet te interpreteren?

Wanneer geldt artikel 46a?

  Lees meer………… 

 

 

 

Aandachtspunten Pensioen 1-2-3

De nieuwe wet Pensioencommunicatie trad per 1 juli 2016 in werking. Een belangrijke gedachte in die wet is dat pensioeninformatie gelaagd moet worden aangeboden. Daartoe is het idee ontwikkeld van het Pensioen 1-2-3. Na het lezen van laag 1 kent de deelnemer de belangrijkste elementen van zijn pensioen regeling. De deelnemer kan vervolgens zelf bepalen of hij meer wil weten. Hij kan voor meer details doorklikken naar laag 2 (pensioen in 30  minuten) of laag 3 met specifieke documenten over het pensioen. Per 1 juli 2016 moest elke pensioenorganisatie zijn eigen Pensioen 1-2-3 aanbieden. Wat is er in de praktijk tot nu toe gerealiseerd van dit concept van pensioeninformatie?

  Lees meer…………

 

 

Zorgplicht blijft, ook na opzegging abonnement

Op 18 augustus 2016 heeft het Kifid een uitspraak gedaan omtrent de opzegging door een klant van een abonnement dat gericht was op beheer. Naar aanleiding van deze uitspraak door het Kifid zijn veel vragen gerezen bij financieel dienstverleners. Onderstaand proberen wij u inzicht te geven in de richtlijnen met betrekking tot nazorg.

  Lees meer…………

 

 

Afschaffen pensioen in eigen beheer

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) mag pensioen opbouwen in zijn eigen BV ('eigen beheer'). Het kabinet wil de verdere opbouw van pensioenaanspraken in eigen beheer vanaf 2017 niet langer toestaan. De reeds opgebouwde pensioenaanspraken blijven in stand maar er kan gekozen worden voor afstempeling, afkoop of voor omvorming naar een spaarvoorziening in de eigen BV.  

  Lees meer…………

 

Nieuw pensioenstelsel, nieuw fiscaal kader

Het Financieel Toetsingskader voor pensioenfondsen en het fiscale kader botsen met elkaar. En het fiscaal kader werkt ook de vernieuwing van het pensioenstelsel tegen. Dat constateerden wij al in een eerdere Pensioennieuws & Opinie. Onlangs stelden de auteurs van het Netsparpaper “De Fiscaliteit en Pensioen – Naar een Nieuw Fiscaal Pensioenkader?” een radicale ommezwaai in het fiscale kader voor. Ze stellen voor de fiscale norm te verleggen van uitkering naar premie. Dat sluit aan bij ons idee voor fiscale vereenvoudiging. Wij vinden dan ook dit voorstel serieuze overweging verdient. Het zou goed zijn als een nieuw kabinet het fiscale kader op de agenda zet van de voorbereidingen voor de overgang naar een nieuw pensioenstelsel.

  Lees meer…………

 

Vaste daling variabele pensioenuitkering

De Wet verbeterde premieregeling staat toe dat pensioenkapitaal wordt gebruikt voor de aankoop van een variabele pensioenuitkering. Daarbij biedt artikel 63a, derde lid van de Pensioenwet c.q. artikel 75a, derde lid van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de optie om de hoogte van de variabele pensioenuitkering te variëren door een uiterlijk op de ingangsdatum vastgestelde periodieke vaste daling.

  Lees meer…………

 

Toelichting Wet Variabele pensioenuitkering

De ‘Wet verbeterde premieregeling’ is net voor de zomervakantie aangenomen door de Eerste Kamer. Deze wet maakt het mogelijk om een pensioenkapitaal na pensioeningang voor risico van de pensioengerechtigde te blijven beleggen: de zogenaamde ‘variabele pensioenuitkering’.

  Lees meer…………

 Pensioen in eigen beheer op de schop

De ministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Wiebes besloten de regeling Pensioen in Eigen Beheer (PEB) in zijn huidige vorm met een overgangstermijn van 3 jaar af te schaffen. DGA’s kunnen de pensioenregeling op een semi-aantrekkelijke manier afkopen, kiezen voor een spaarvariant (direct afstempelen) of laten staan op grond van de huidige wetgeving.

  Lees meer…………

 

 

 

 

 Kamerbrief Pensioen in eigen beheer uitgesteld

Het lukt staatssecretaris Wiebes niet om binnen de gevraagde termijn zijn uiteindelijke keuze voor de oplossingsrichting voor het pensioen in eigen beheer bekend te maken, schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer.

 Lees meer…………

 

 

 

 

Kwaliteit cliëntinventarisatie volgens AFM nog onvoldoende

In 2015 heeft de AFM een onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de cliëntinventarisatie. De conclusie is dat deze nog niet op het door de AFM beoogde niveau (een score 4,0 of hoger) is.

  Lees meer…………

 

Verkenning SER Persoonlijk Pensioenvermogen

De SER heeft de variant persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling nader onderzocht en uitgewerkt en vindt deze nog steeds interessant. Met deze – technische – verkenning wil de SER een vervolgbijdrage leveren aan de discussie over de toekomst van het pensioenstelsel dat een goed pensioeninkomen biedt en beter aansluit op de veranderende samenleving.

  Lees meer…………

 

Afkoop kleine pensioenen op de shop

Op 14 april jl. heeft Staatssecretaris Klijnsma een beleidsbrief naar de Tweede Kamer gestuurd over waardeoverdracht. Het belangrijkste item in deze brief is dat het afkooprecht van kleine pensioenen gaat verdwijnen en wordt omgezet in een verplichte waardeoverdracht.

  Lees meer…………

 

Actueel pensioen nieuws

Kabinet beraadt zich op vernieuwing pensioenstelsel

Een akkoord met sociale partners over de vernieuwing van het pensioenstelsel is nu niet mogelijk. De gesprekken binnen de SER en tussen het kabinet en sociale partners hebben niet tot overeenstemming geleid. Het kabinet beraadt zich nu op het vervol...

Per 1 januari 2019 vervallen heel kleine pensioenen

Vanaf 1 januari 2019 vervallen heel kleine pensioenen. Dit zijn pensioenen van € 2 of minder bruto per jaar. Dat mag op grond van nieuwe regels omdat de administratiekosten voor deze heel kleine pensioenen erg hoog zijn.

Koolmees wil meer vrouwen en jongeren in pensioenbesturen

Minister Koolmees van SZW wil dat er meer vrouwen en jongeren zitting krijgen in de besturen van pensioenfondsen. Dit schrijft hij in een brief aan de Tweede Kamer over diverse pensioenonderwerpen.

Pensioenoverzicht gaat ook mee- en tegenvallers tonen

Iedereen die pensioen opbouwt, krijgt vanaf volgend jaar september beter inzicht in de hoogte van de pensioenuitbetaling die hij of zij later kan verwachten. Op mijnpensioenoverzicht.nl worden drie verschillende bedragen toegevoegd; deze zijn bereke...

Internetconsultatie wetsvoorstel Verzamelwet Pensioenen 2019

Op internet is het concept van het wetsvoorstel Verzamelwet Pensioenen 2019 gepubliceerd.